Over flexplekken, territorium en de teloorgang van beschaving
Door: Bataaf D. Stoppel
Werkzaam op verdieping 3, kamer B312 — pal naast het archief van Compliance; zolang men dat nog een “vaste werkplek” durft te noemen
Sinds kort spreekt men binnen onze organisatie over “flexibel werken”.
Flexibel.
Een woord dat ik tot voor kort uitsluitend associeerde met gymnastiek en ondeugdelijke kunststof.
Volgens het nieuwe werkplekbeleid heeft niemand meer een vaste plek.
We mogen iedere ochtend “kiezen waar we het beste tot ons recht komen”.
Ik kom het beste tot mijn recht in kamer B312.
Dat weet ik sinds 2011.
Mijn stoel staat daar op hoogte 47.
Mijn monitor onder een hoek van 6 graden.
Mijn nietmachine bevindt zich rechts van mijn toetsenbord, maar nadrukkelijk links van mijn perforator.
Dat is geen gewoonte.
Dat is infrastructuur.
Gisteren zat er iemand op mijn plek.
Een collega van Marketing.
Hij zei: “Volgens mij zijn alle plekken vrij.”
Ik heb hem uitgelegd dat een parkeerplaats technisch gezien ook vrij kan zijn, maar dat je daarom nog niet in de voortuin van een ander gaat staan.
Hij lachte.
Ik niet.
Men zegt dat flexplekken samenwerking stimuleren.
Maar samenwerking begint wat mij betreft met weten waar iemand zit.
Hoe moet ik een collega aanspreken op een verkeerd opgeslagen document als die collega iedere dinsdag op een andere verdieping blijkt te zitten?
Hoe bouw je institutioneel geheugen op als zelfs de bureaustoel geen verleden meer heeft?
Een organisatie zonder vaste werkplekken is uiteindelijk gewoon een vliegveld zonder vertrekborden.
Veel beweging.
Weinig verantwoordelijkheid.
Morgen ben ik om 07:41 aanwezig.
Niet omdat ik bang ben dat iemand mijn plek inneemt.
Maar omdat beschaving onderhoud vereist.
En onderhoud begint op verdieping 3.
Kamer B312.
#flexibelmaarnietgrenzeloos #B312blijftB312 #structuurisookcultuur #stoelstand47 #compliancebovencomfort