De twee kabouters van planeet 44

een hommage aan Rutger Kopland
Op planeet 44 was het altijd stil.
Niet de stilte van iets dat wacht. Gewoon stil. Monstertje woonde er al zo lang dat hij de stenen bij naam kende, en de stenen kenden hem ook, al zeiden ze er nooit iets over.
Op een ochtend — of een avond, dat was moeilijk te zeggen op planeet 44 want de zon deed altijd een beetje raar — verschenen er twee kleine wezentjes op de heuvel achter het huis. Ze waren zo klein dat Monstertje eerst dacht dat hij iets in zijn oog had. Maar hij had geen ogen die dat soort dingen deden, dus het moesten wezentjes zijn.
Ze heetten At en Ot.
Ze geloofden niet in monsters. Dat zeiden ze meteen, voor alle duidelijkheid.
Monstertje: “Ik ben ook geen monster.”
At en Ot: “Hoe heet je dan?”
Monstertje: “Monstertje.”
At en Ot keken elkaar aan. Toen keken ze hem weer aan. Toen besloten ze het te accepteren, want ze waren moe van de reis en de planeet zag er verder niet gevaarlijk uit.
Die avond maakte Monstertje thee in zijn kleinste kopjes, wat nog steeds te groot was voor At en Ot, maar ze dronken er met twee handen uit en morsten niet veel. Ze vertelden dat ze van ver kwamen. Dat er thuis veel wezentjes waren. Dat het er soms te vol was en te luid en dat ze daarom soms wegreden, gewoon om te kijken wat er verder was.
Monstertje: “En? Wat is er verder?”
At: “Dit.”
Ot: “En jij.”
Monstertje dacht na. Hij had nog nooit iemand ontmoet die speciaal was gekomen om te kijken of er iets was, en dan bleef omdat hij het antwoord was. Dat was een vreemd gevoel. Niet onprettig.
Ze sliepen die nacht in zijn brievenbus, op een bedje van oud papier. Monstertje had er nooit post in gehad maar de brievenbus was er altijd al geweest en hij had hem maar laten staan.
✦
De volgende dag vroegen At en Ot: “Geloof jij ergens in?”
Monstertje dacht lang na. Hij keek naar de lege heuvel. Naar de steen die hij kende. Naar de twee kleine wezentjes die thee dronken uit zijn grote kopjes.
Monstertje: “Niet als ik alleen ben.”
At en Ot knikten alsof dat het verstandigste was wat ze ooit hadden gehoord.
Ze bleven drie dagen. Ze leerden Monstertje een liedje dat alleen maar werkte als je het met zijn drieën zong — met twee stemmen klonk het nergens naar, en met één stem was het gewoon stilte. Monstertje leerde hun hoe je een steen een naam geeft zodat hij je niet vergeet.
Op de derde dag gingen ze weg.
Monstertje stond bij de heuvel en keek ze na tot ze niet meer te zien waren, en daarna nog even.
Toen vertelde hij de steen een mop.
“Waarom gelooft een god niet in zichzelf?”
De steen zei niets.
“Omdat hij nooit alleen is.”
De steen zei nog steeds niets. Maar Monstertje had het gevoel dat dat deze keer een andere soort stilte was.
✦
Weken later — of misschien maanden, dat was moeilijk bij te houden op planeet 44 — vond hij iets in zijn brievenbus. Een briefje, zo klein dat hij het haast niet kon lezen.
dag god een zoen van At en Ot
Monstertje las het drie keer. Toen vouwde hij het op en legde het in zijn borstzak, bij zijn vlinderstrik.
De cognitief wetenschapper Pascal Boyer beschrijft in Religion Explained (2001) hoe mensen zijn uitgerust met wat hij een hyperactief agentdetectiesysteem noemt: het brein zoekt automatisch naar intentie, ook waar die er niet is. Een ruis in het bos, een schaduw die beweegt, een storm die opsteekt — steeds vraagt iets in ons: wie deed dat? Dit mechanisme verhoogde de overlevingskansen van onze voorouders. Liever tien keer te veel geschrokken dan één keer te weinig.
God is waarschijnlijk een bijproduct van datzelfde systeem — maar dan op de schaal van de groep. Een gedeeld verhaal over een intentie achter de wereld houdt mensen bij elkaar, en dat verhoogt de overlevingskansen van de groep. Alleen, zonder gevaar en zonder groep, heeft het systeem niets om op te schieten. De vraag wie deed dat stelt zichzelf niet als er niemand is om het antwoord mee te delen.
— naar Pascal Boyer, antropoloog en cognitief wetenschapper