De ridder van planeet 44

Op planeet 44 was het altijd stil.
Totdat er iemand aankwam op een paard.
Het paard heette Rocinante en zag er moe uit, wat begrijpelijk was want hij had al veel planeten achter de rug. De ruiter heette Don Quichot de la Mancha, ridder van de Droevige Figuur, en hij zag er ook moe uit, maar dat leek hem niet op te vallen.
“Gevaarlijke planeet,” zei Don Quichot, terwijl hij om zich heen keek naar de lege heuvels en de stenen en de stilte.
“Valt mee,” zei Monstertje.
“Die rots daar,” zei Don Quichot, wijzend naar de steen van Monstertje. “Dat is een draak.”
“Dat is mijn vriend,” zei Monstertje.
Don Quichot keek hem aan. Toen keek hij naar de steen. Toen weer naar Monstertje.
“Des te erger,” zei hij.
Ze dronken thee. Don Quichot dronk uit het grote kopje want hij was een ridder en gewend aan grote dingen. Monstertje dronk uit het kleine kopje want hij was Monstertje.
“Waarom reis je?” vroeg Monstertje.
“Om het kwaad te bestrijden,” zei Don Quichot. “Om onrecht recht te zetten. Om de wereld te maken zoals ze moet zijn.”
“Hoe moet ze zijn?”
Don Quichot dacht lang na. “Zoals in de verhalen,” zei hij ten slotte.
Monstertje knikte. “En als de wereld niet meewerkt?”
“Dan vergis ik me,” zei Don Quichot. “Tijdelijk.”
Die avond zaten ze naast elkaar op de steen. Don Quichot zag aan de horizon een leger van duistere wezens oprukken. Monstertje zag sterren.
Ze keken allebei naar hetzelfde.
“Ik heb gehoord dat mensen twee hersenhelften hebben,” zei Monstertje.
“Dat klopt,” zei Don Quichot.
“Welke vertelt de verhalen?”
Don Quichot dacht na.
“De linker,” zei hij.
“En de rechter?”
“Die maakt ze mee.”
“Praten ze met elkaar?”
“Voortdurend.”
“Hebben ze weleens ruzie?”
“Natuurlijk,” zei Don Quichot. “Maar uiteindelijk krijgt de linker gelijk.”
“Waarom?”
“Omdat die het verhaal vertelt.”
Monstertje keek naar het leger dat er niet was.
“Dat is niet eerlijk,” zei hij.
“Nee,” zei Don Quichot. “Maar wel een goed verhaal.”
De volgende ochtend maakte Don Quichot zich klaar om te vertrekken. Rocinante stond geduldig te wachten, zoals paarden doen die al veel hebben meegemaakt.
“Jij gelooft nergens in,” zei Don Quichot tegen Monstertje. Het klonk niet als een verwijt.
“Ik geloof in mijn vriend de steen,” zei Monstertje.
“Dat is niet genoeg.”
“Voor de steen wel.”
Don Quichot steeg op. Hij keek nog één keer naar de horizon waar het leger had gestaan. Er was niets. Dat betekende, dacht hij, dat hij gewonnen had.
“Weet je,” zei hij, “zonder mijn verhalen zou ik niet weten wie ik ben.”
Monstertje keek naar de steen. Naar de sterren. Naar de thee die koud was geworden.
“Zonder mijn verhalen ook niet,” zei hij.
Don Quichot knikte alsof dit hem gelijk gaf. Misschien gaf het hem gelijk.
Toen reed hij weg, de sterren in.
Monstertje bleef achter op de steen.
Hij dacht aan wat Don Quichot had gezegd. Dat verhalen de wereld maken zoals ze moet zijn. Dat leek hem te veel gevraagd van een verhaal. Maar misschien vroeg je dat niet aan een verhaal omdat het waar was. Misschien vroeg je het omdat je anders niet wist waar je moest zitten.
Hij zat op de steen. De steen zei niets. Dat was ook een verhaal.
De neurowetenschapper Michael Gazzaniga beschrijft in zijn onderzoek naar patiënten met een doorgesneden corpus callosum — de verbinding tussen de twee hersenhelften — hoe de linkerhersenhelft voortdurend verhalen verzint om het gedrag van de rechter te verklaren. Hij noemt dit de “interpreter”: een mechanisme dat losse feiten en impulsen samenvoegt tot een coherent verhaal, ook als er geen verband is. We geloven die verhalen. We kunnen niet anders.
De filosoof Paul Ricoeur stelde dat mensen geen keuze hebben: wij zijn verhalende wezens. Niet omdat de werkelijkheid een verhaal is, maar omdat wij zonder verhaal geen werkelijkheid kunnen bewonen. Don Quichot vergist zich voortdurend. Maar hij weet tenminste waar hij is.